Column van ds Fokkelien Oosterwijk, predikant van de Westerkerk.
Op Tweede Pinksterdag gaat de telefoon, die van mijn man. Het is tien uur. Ach nee, denk ik: toch niets ernstigs? Mijn man zit tijdelijk ook weer in zijn oude vak van predikant, als interim en mediator in de plaats waar wij wonen, onder de rook van Amsterdam.
Maar er blijkt iets anders aan de hand.
Een mevrouw uit Kamperland heeft zijn telefoonnummer uit de veelheid van nummers opgeduikeld, waarin ze op zoek was naar mij. Zij was gisteren in de dienst in de Westerkerk en deed per ongeluk bij haar gaven in de collectezak ook de sleutel van haar huis. Tenminste, dat vermoedde zij. Het zal vast een heel gegrabbel zijn geweest, in haar tas, naar passend muntgeld, en zo'n collectezak is zomaar voorbij en dat zou haar niet gebeuren!
Of die sleutel gevonden is? Tussen al die goede gaven in de collectezakken?
We zullen zien, ja we gaan daar natuurlijk prudent mee om en als die sleutel daar tussen zit krijgt zij die keurig thuis bezorgd.
Maar wat mij zo ontroert is, dat er een mevrouw uit Kamperland -Zeeland!- 's morgens om half acht in de trein stapt om de dienst op Pinksterzondag in onze Westerkerk mee te maken. Dat zij daar een kaartje vrij reizen in het weekend voor had opgespaard (ja, die man van mij gaat vrolijk in gesprek op zo'n vrije tweede Pinksterdag), omdat ze zo graag naar de Wester wilde.
Ik had die zondag ook al oude en nieuwe bekenden uit Groningen en Haren gesignaleerd. Met nog heel veel anderen, uit diverse windstreken: de trein pakken, de auto nemen, naar de Wester gaan.
En dan waren er ook nog de vele gasten uit het buitenland, die zich welkom wisten: welkom geheten, welkom ook door alles wat er ook in het Engels werd gezongen. Bij de uitgang kwamen ze bedanken.
Goed bezig, Westerkerk!, denk ik dan.
Ps. Die mevrouw uit Kamperland vindt het ok, hoor, deze column. Daar heeft man ook nog even achterheen gebeld.